RSS

Daily Archives: December 17, 2009

Food scarcity threatens population of Suriname

Suriname – a South-American country in the north of Brazil at the Atlantic Ocean – is particularly vulnerable to the negative impacts of climate change because of its low-lying coast. Most of the fertile land is along the coast, as well as a concentration of the country’s main economic activities and the majority of the population. Sea-level rise may inundate large parts of this coastal zone.

The impact will be significant and could even be catastrophic for the country. In Suriname’s First National Communication to the United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC), the government of Suriname states that sea-level rise will result in “increased erosion, large-scale inundation, loss of fertile land, reduction of freshwater resources, decline of biodiversity, and worsening of human health”. The report goes on to say that “climate change is likely to result in changes in the hydrological cycle, including the intensity and distribution of rainfall, and drought. The combined effect of these changes makes the country vulnerable to climate change.” Experience The farmers of the Saramacca district are already experiencing the loss of fertile land. They can see that the seasons are no longer the same as they were. They have too much water or too little or too much salt water in their agricultural plots. They are seeing their whole crop and their income melt away before their eyes.

Fifty percent of the production potential has disappeared. This could cause food scarcity for the capital Paramaribo where the majority of the population lives. Saramaca is its feeding ground. Suriname has two seasons: the dry season and the rainy season. In the dry season the level of the ground water decreases, resulting in failed crops, and in the rainy season the agricultural area is flooded, which also means the yields fail. For the dry season the farmers have found a solution by pumping water out of a well, but then salt water bubbles up which damages the crops. For the rainy season they do not have a solution, because they cannot pump water out of their agricultural soil, because of illegal dams that are built in the surrounding area.

“My life depends on the climate,” says Marlene Tima sadly. “Planting is my life. If the plants get water they laugh with me, but now it is dry, so I don’t have water and my crops don’t grow well, and then I don’t have any income.” Mitoe Ramdat has no water at all because of the drought. “I can’t do anything. My blood pressure increased and I don’t have money for the doctor, because my yield is lost.” Ramdat had to leave farming and he now lives from a little government social care which doesn’t give him enough money to eat.

Guno Sanrasid complains that the government does not help them with their agricultural problems and that they themselves have to find a solution. He explained that in the dry season there is not enough fresh water flowing into the sea and stopping the sea from coming in. So the salty sea water is flowing into their wells from below; in the rainy season the sea is still invading via the fresh water rivers—the brackish water of the rivers come out of their branches into their agricultural soil. “In the dry season we save our money to be able to eat in the rainy season, because we cannot plant in the rainy season because of the abundance of water in our agricultural ground,” said Brian Kartodirijo.

Help?

The Caribbean Institute tries to help the farmers of Saramacca. This institute is a social enterprise promoting integral sustainable development in the Caribbean, through modeling and implementing a whole systems approach to community development, social change, management and environmental protection. Its Saramacca project is a five-year multi-stakeholder, multi-partner and multi-donor system-wide intervention to promote food safety and income security in Surinamese horticulture.

The goal of this project is to assist small vegetable farmers in Saramacca to make the transition to organic agriculture for the national and international markets. An important part of the project is therefore the development of a sustainable agro supply chain to help farmers move away from conventional agriculture—which is rapidly losing market share in overseas markets and is detrimental to the environment and health—to organic agriculture. “But now we have other problems, ” said Maureen Silos, founder and executive director of Caribbean Institute, “We first have to create systems of rain water reservoirs for the farmers, so that they have enough water for their crops in the dry season. But for the rainy season the whole infrastructure of illegal dams has to be restructured and we need a lot of money to do that.”

The Adaptation Fund of UNFCCC could be a solution for the farmers if the Surinamese government submits a project proposal to the adaptation fund. “We are dealing with governments,” said Rob Lake representative of the Adaptation Fund Board at the introduction of the Adaptation Fund during COP15. “If we look at the development of our projects we expect that they participate in the development programs which mean that those who are affected by climate change should also have been thought of in those development projects and programs. Of course we cannot ensure that all governments behave like this. We do know that there are many climate change NGO’s and organizations in those countries who are able to make their voices heard. This is very important because if those who are affected are not involved in the projects you will not end up with good profits and good results.”

The adaptation fund was specifically initiated to assist developing countries who are parties to the Kyoto Protocol and who are particularly vulnerable to the adverse effects of climate change. The Fund will be used to help meet the costs of adaptation and to finance concrete adaptation projects and programs that are country driven. Up to now there is US$ 34 million in the fund but the expectations are that by 2012 there will be US$ 500 million.

 
Leave a comment

Posted by on December 17, 2009 in Caribisch Gebied

 

Een lange dag

Vandaag was me een dag. Ik ben vroeg opgestaan om vroeg in Bella Centre te zijn, waar de COP wordt gehouden. Vandaag zou president Ronald Venetiaan de 115 staatshoofden in de High Level Segment toespreken. Ik had een afspraak met een vriendelijke cameraman om beelden voor mij te schieten van die toespraak en ik had georganiseerd bij de broadcast manager, dat wij behoorden tot de pool joournalisten die beelden mochten schieten, want eigenlijk mocht de pers niet naar binnen. Alleen onder begeleiding van de organisatie en alleen om beelden te schieten of foto’s te maken. En niet voor lang, maar voor twee minuten. De schrijvende pers mocht niet naar binnen. Maar omdat ik die manager ken van de vorige COP in Poznan heeft hij ons toestemming gegeven om gedurende de hele speech van de president aanwezig te zijn.

De president zou na de pauze tegen drie uur ‘s middags praten. Dus ik moest vroeg in het Bella Centrum zijn. Ook omdat de security naarmate vrijdag nadert zeer streng wordt. Obama zal die dag namelijk komen. Het openbaar vervoer van Zweden naar Kopenhagen wordt dan stoppgezet door een brug dat wordt gesloten. Alleen de trein mag rijden. Maar ik ging ook vroeg, omdat het vanwege die security steeds moeilijker wordt om in de conferentieruimte terecht te komen en ook vanweg de horde mensen die tracht de conferentieruimte binen te gaan. De ruimte kan volgens Yvo de Boer maar 15.000 mensen bevatten. Het UNFCCC-secretariaat heeft echter meer dan 22.000 mensen geacrediteerd en geregistreerd. Natuurlijk hebben er dan weer protestdemonstraties plaatsgevonden, omdat men niet naar binnen kon.

Wel…, toen ik aankwam begon de eerste tegenslag. De metro stopte niet in Bella Centre. Dus moest ik een halte voor of een halte na uitstappen. Ik stapte een halte voor uit en liep het stuk naar de conferentieruimte. Aangezien ik het positieve van alles probeer te zien, zag ik in de fikse wandeling in de kou als een atletiek training. Op de plaats van bestemming aangekomen was er weer een hele lange rij met duizenden mensen die trachten naar binnen te gaan. Gelukkig was er een aparte ingang voor geregistreerde pers, delegatieleden en UN staff. De NGO’s en civil societies moesten in de lange rij staan. Ik liep een ieder voorbij en haaste mij naar de ingang langs de security, deponeerde mijn winterjas in de cloak room en ging naar het media centre. Voor de cloak room ontmoette ik nog ambassadeur Macdonald die in New York is gestationeerd. Hij had mij beloofd een interview te organiseren met de president. Hij bleek daarmee nog bezig te zijn. Het zou vandaag niet lukken, maar morgen hoogstwaarschijnlijk wel.

In het mediacentrum aangekomen bekeek ik direct mijn mails en luisterde naar de toespraken van de verschillende presidenten. Er zijn namelijk enkele grote schermen waar de 3500 journalisten de speeches konden zien en beluisteren via een luisterapparaat. Niet lang daarna kwam mijn vriendelijke cameraman aangelopen en vroeg mij of hij niet opnieuw moest afstemmen met de broadcast manager, maar ik zei hem dat dat niet hoefde, want er zijn al duidelijke afspraken gemaakt.

Plotseling was er een geroesemoes van je welste. Het was een groep demonstranten gelukt om langs de security te gaan in de plenary room van de high level segment om enkele leuzen luid op te reopen, zoals ,,climate justice now”. De staatshoofden werden even opgeschrikt, maaar toen het de security lukte om de groep naar buiten te dringen gingen ze verder met hun toespraken.
Toen was Chavez aan de beurt. Het was de bedoeling dat elk staatshoofd maar drie minuten sprak, maar Chavez sprak bijna tien minuten en haalde sterk uit naar Amerika en het kapitalistisch systeem die volgens hem klimaatverandering hebben veroorzaakt. Na Chavez zou er een half uur pauze zijn en daarna zou Venetiaan spreken. Tijdens de pauze zouden wij ons voor de deur van de plenary room opstellen om naar binnen te kunnen gaan zodra Vene in aantocht was. Maar wat gebeurde er: de president van de COP liet Vene direct na Chavez praten. En wij renden naar de plenary room, maar werden niet doorgelaten door de vastberaden security, want de mensen van de manager die ons in pools zouden toelaten waren nergens te bekennen. Wij dropen langzaam af en allerlei schuldgevoelens bekropen mij, omdat ik mijn vriendelijke cameraman had gezegd dat alles in orde was. Dus wij gingen terug naar het mediacentrum om nog naar de laatste woorden van Vene te luisteren.

Daarna gingen wij hoogst verontwaardigd naar de manager, maar hij was nergens te bekennen. Een vriendelijke Deense ontving ons en begeleidde ons naar de technische dienst om de beelden van Vene bij de nationale broadcaster te kopen. Ik protesteerde, want ik wilde niet betalenm omdat het hun fout was, maar niemand wilde naar mij luisteren. Het was betalen of geen beelden. Noodgedwongen haalde ik mijn geld uit mijn portemonee, want STVS wachte op de beelden.

Het bleek een file van 2 gigabite te zijn, die met geen mogelijkheid kon worden verzonden. Dus terug naar de technische dienst om de file te compressen tot 79 megabite. Na enkele uren en een heleboel instructies vanuit STVS kon ik eindelijk de beelden en een stand up versturen. Ondertussen was het al 11 uur ‘s avonds geworden. Hillary een journalist van Maleisie, die op mij wachte om te gaan eten en samen met mij te vertrekken, werd het wachten beu en vertrok met een boos gezicht. Maar ik kon niet weg zolang de beelden niet waren verstuurd. Na mijn werk voltooid te hebben kon ik dus eindelijk vertrekken

Zie ook:http://www.stvs.sr

Buiten aangekomen sneeuwde het – ik kan niet zeggen pijpestelen – grote sneeuwvlokken. Voor de tweede keer in mijn leven zag ik sneeuw. Het was wel aangenaam, maar ik ben wel enkele keren bijna uitgegleden, dus liep ik voorzichtig verder naar de metro en later naar de trein. Jan en Angelica, journalisten van Reuters die ik op het perron van de metro ontmoette, waren zo aardig foto’s van mij te willen maken. Toen ik op Angelica’s badge keek en haar naam uitsprak vroeg Jan mij direct in het Nederlands uit welk land ik kwam. Hij bleek een Belg te zijn die met een Afrikaanse is getrouwd en dolgraag met vakantie naar Suriname te willen gaan.

In elk geval…, de trein stopte in Malmö en ik bleef zitten, omdat die altijd verder gaat naar Lund. Een andere vriendelijke Deense zei me toen, dat die treinconducteur heeft omgeroepenm dat de trein niet verder ging.

Ik moet wel zeggen dat die mensen hier in Denemarken en Zweden uitzonderlijk vriendelijk zijn. Dat kan ik niet zeggen van de Duitsers. Vorig jaar tijdens COP14 in Poznan moest ik via Duitsland reizen en geen enkele taxichauffeur wilde ons –een groep Afrikanen en ik – rijden. Wij moesten daarom drie blokken lopen naar ons hotel, want die taxichauffeurs zeiden ons gelukkig wel hoe wij moesten lopen naar het hotel. Tijdens het lopen zag ik een kale man allerlei dingen naar mij toeschreeuwen en aan zijn intonatie en gezicht kon ik merken dat het geen liefdesverklaring was. O…, wat was ik bang voor die Duitsers. Bang dat ze mij zouden vermoorden, want tijdens de tweede wereld oorlog maakten ze joden en negers dood.

Toch was er wel een leuke Duitse studente waarmee ik in een wagon zat, die mij aansprak, benieuwd wie ik was en van waar ik kwam. Ze bood mij vodka aan, waardoor het gesprek vlotte. Ik kon het niet nalaten haar te vragen naar de tijd van de oorlog. Het gesprek stokte direct en het duurde tien minuten voordat ze weer sprak. Toen zei ze, dat Duitsers eigenlijk niet graag over die tijd praten, omdat ze zich daarvoor schamen. Ze was toen nog niet gebeuren, maar had wel het een en ander van haar oma gehoord. Ze houden de persvrijheid hoog in het vaandel en waken ervoor dat die niet wordt geschonden, omdat ze in de oorlogse tijd maar één zender hadden en dat was de regeringszender. Zo kon Hitler hen beïnvloeden.

Anyhow…, het meisje was zo lief, dat ze – toen wij waren uitgestapt – ons hielp kaarten in de automaat te kopen voor de volgende trein die wij moesten pakken. Natuurlijk nadat ze ons had vertelt hoe wij verder moesten reizen. Als ze er niet was geweest stonden wij nog steeds in Duitsland. Zoals haar zijn er een heleboel hier in Zweden en Denemarken.
Ik stapte dus uit de trein in Malmö en moest een half uur in de sneeuw wachten op de volgende trein naar Lund. Daar aagenkomen kon ik niet meer tegen die kou en ik had geen zin om weer een uur op de nachtbus te wachten, dus nam ik een taxi naar het hotel, wat mij 20 Euro koste.

Met tegenzin gaf ik dit geld uit, want eigenlijk is het bus- en treintransport in zowel Zweden als Lund tijdens de dagen van de COP gratis voor de COP-gangers. Daarvoor hadden de beide regeringen gezorgd. Om zo snel mogelijk in het hotel aan te komen pakte ik dus een taxi. De chaufferu reed wel traag, terwijl de meter omhoog klom. Gelukkig was mijn God met mij en waren alle stoplichten op groen. Eindstand moest ik 100 Zweedse kroner of 20 Euro betalen. Nu ben ik in mijn hotelkamer. Het is 00:30 en ik ga direct in bad. Mijn collegea hier kijken mij altijd zeer verbaasd aan als ik ze zeg dat ik eerst ga baden voordat ik ga slapen. Ze zijn dat stellig niet gewend in deze kou. Morgen is het weer een andere uitdaging. Zal ik de gelegenheid krijgen om de president te interviewen?

 
Leave a comment

Posted by on December 17, 2009 in Caribisch Gebied